ISO 19011:2018
Overzicht
Het succes van een audit hangt grotendeels af van de competentie van de betrokken auditoren. Hoofdstuk 7 van de ISO 19011:2018 norm biedt een gestructureerd kader voor het bepalen, evalueren en onderhouden van deze competenties. Dit zorgt ervoor dat auditoren over de juiste mix van persoonlijke eigenschappen, kennis en vaardigheden beschikken om hun taak effectief uit te voeren.
1. Het Evaluatieproces
De norm schrijft een stapsgewijze aanpak voor om de competentie van auditoren te borgen. Dit proces moet transparant en consistent zijn.
- Bepalen van competentie: Wat moet de auditor weten en kunnen?
- Vaststellen van evaluatiecriteria: Hoe meten we dit (kwalitatief/kwantitatief)?
- Selecteren van evaluatiemethode: Welke tools gebruiken we (interview, test, observatie)?
- Uitvoeren van de evaluatie: Verzamelen van objectief bewijs.
- Onderhoud en verbetering: Continue professionele ontwikkeling (CPD).
2. Persoonlijke Gedragskenmerken (7.2.2)
Naast technische kennis, vereist ISO 19011 dat auditoren specifieke persoonlijke eigenschappen bezitten. Een auditor moet professioneel handelen tijdens de uitvoering van de audit.
Ethisch & Integer
Eerlijk, waarheidsgetrouw, oprecht en discreet.
Open-minded
Bereid om alternatieve ideeën of standpunten te overwegen.
Diplomatiek
Tactvol in de omgang met mensen om doelen te bereiken.
Observant
Actief bewust van de fysieke omgeving en activiteiten.
Vasthoudend
Volhardend en gefocust op het bereiken van doelstellingen.
Besluitvaardig
Tijdig conclusies trekken op basis van logische redenering en analyse.
3. Kennis en Vaardigheden
De competentie wordt opgesplitst in algemene kennis die elke auditor moet hebben, en specifieke kennis die afhangt van de sector.
A. Algemene Kennis (7.2.3)
- Auditprincipes, -processen en -methoden: Om de audit consistent en systematisch uit te voeren.
- Managementsysteemstandaarden: Kennis van de norm waartegen wordt getoetst (bijv. ISO 9001, ISO 14001).
- Organisatiecontext: Begrip van bedrijfstypes, governance, grootte, structuur en lokale cultuur.
- Wet- en regelgeving: Kennis van relevante wettelijke eisen en contractuele verplichtingen.
B. Discipline- en Sectorspecifieke Kennis (7.2.4)
Het is niet voldoende om alleen 'audit' te begrijpen; de auditor moet ook het vakgebied begrijpen. Bijvoorbeeld:
- Voor een milieu-auditor: Kennis van emissiemetingen, afvalbeheer en milieuwetgeving.
- Voor een kwaliteitsauditor: Kennis van procesbeheersing, statistische analyse en klanttevredenheid.
4. Evaluatiemethoden (7.4 & 7.5)
Het evalueren van auditoren moet gebeuren aan de hand van vooraf vastgestelde criteria. Onderstaande tabel toont methoden die de norm suggereert.
| Evaluatiemethode | Doel / Toepassing | Opmerkingen |
|---|---|---|
| Beoordeling van dossiers | Controleren van opleiding, training, en eerdere auditrapporten. | Geeft inzicht in de achtergrond en schrijfvaardigheid. |
| Feedback | Informatie verzamelen van geauditeerden, collega's of supervisors. | Subjectief; moet worden gewogen tegen andere data. |
| Interview | Evalueren van persoonlijk gedrag, communicatieve vaardigheden en kennis. | Kan persoonlijk of telefonisch/online. |
| Observatie | Directe beoordeling tijdens een daadwerkelijke audit (witness audit). | Zeer effectief voor het beoordelen van soft skills en toepassing van kennis. |
| Testen / Examens | Toetsen van specifieke kennis en auditvaardigheden. | Kan mondeling of schriftelijk; levert objectief bewijs. |
5. Onderhoud en Verbetering (7.6)
Een auditor is nooit 'uitgeleerd'. De norm vereist een proces voor continue professionele ontwikkeling (CPD).
- Regelmatige deelname aan audits: Om vaardigheden scherp te houden.
- Training en opleiding: Bijblijven met wijzigingen in normen (zoals de transitie naar nieuwe ISO-versies).
- Coaching: Minder ervaren auditoren laten meelopen met ervaren teamleiders.
- Zelfreflectie: Kritisch kijken naar eigen prestaties na elke audit.
ISO 19011:2018
Overzicht
Het succes van een audit hangt grotendeels af van de competentie van de betrokken auditoren. Hoofdstuk 7 van de ISO 19011:2018 norm biedt een gestructureerd kader voor het bepalen, evalueren en onderhouden van deze competenties. Dit zorgt ervoor dat auditoren over de juiste mix van persoonlijke eigenschappen, kennis en vaardigheden beschikken om hun taak effectief uit te voeren.
1. Het Evaluatieproces
De norm schrijft een stapsgewijze aanpak voor om de competentie van auditoren te borgen. Dit proces moet transparant en consistent zijn.
- Bepalen van competentie: Wat moet de auditor weten en kunnen?
- Vaststellen van evaluatiecriteria: Hoe meten we dit (kwalitatief/kwantitatief)?
- Selecteren van evaluatiemethode: Welke tools gebruiken we (interview, test, observatie)?
- Uitvoeren van de evaluatie: Verzamelen van objectief bewijs.
- Onderhoud en verbetering: Continue professionele ontwikkeling (CPD).
2. Persoonlijke Gedragskenmerken (7.2.2)
Naast technische kennis, vereist ISO 19011 dat auditoren specifieke persoonlijke eigenschappen bezitten. Een auditor moet professioneel handelen tijdens de uitvoering van de audit.
Ethisch & Integer
Eerlijk, waarheidsgetrouw, oprecht en discreet.
Open-minded
Bereid om alternatieve ideeën of standpunten te overwegen.
Diplomatiek
Tactvol in de omgang met mensen om doelen te bereiken.
Observant
Actief bewust van de fysieke omgeving en activiteiten.
Vasthoudend
Volhardend en gefocust op het bereiken van doelstellingen.
Besluitvaardig
Tijdig conclusies trekken op basis van logische redenering en analyse.
3. Kennis en Vaardigheden
De competentie wordt opgesplitst in algemene kennis die elke auditor moet hebben, en specifieke kennis die afhangt van de sector.
A. Algemene Kennis (7.2.3)
- Auditprincipes, -processen en -methoden: Om de audit consistent en systematisch uit te voeren.
- Managementsysteemstandaarden: Kennis van de norm waartegen wordt getoetst (bijv. ISO 9001, ISO 14001).
- Organisatiecontext: Begrip van bedrijfstypes, governance, grootte, structuur en lokale cultuur.
- Wet- en regelgeving: Kennis van relevante wettelijke eisen en contractuele verplichtingen.
B. Discipline- en Sectorspecifieke Kennis (7.2.4)
Het is niet voldoende om alleen 'audit' te begrijpen; de auditor moet ook het vakgebied begrijpen. Bijvoorbeeld:
- Voor een milieu-auditor: Kennis van emissiemetingen, afvalbeheer en milieuwetgeving.
- Voor een kwaliteitsauditor: Kennis van procesbeheersing, statistische analyse en klanttevredenheid.
4. Evaluatiemethoden (7.4 & 7.5)
Het evalueren van auditoren moet gebeuren aan de hand van vooraf vastgestelde criteria. Onderstaande tabel toont methoden die de norm suggereert.
| Evaluatiemethode | Doel / Toepassing | Opmerkingen |
|---|---|---|
| Beoordeling van dossiers | Controleren van opleiding, training, en eerdere auditrapporten. | Geeft inzicht in de achtergrond en schrijfvaardigheid. |
| Feedback | Informatie verzamelen van geauditeerden, collega's of supervisors. | Subjectief; moet worden gewogen tegen andere data. |
| Interview | Evalueren van persoonlijk gedrag, communicatieve vaardigheden en kennis. | Kan persoonlijk of telefonisch/online. |
| Observatie | Directe beoordeling tijdens een daadwerkelijke audit (witness audit). | Zeer effectief voor het beoordelen van soft skills en toepassing van kennis. |
| Testen / Examens | Toetsen van specifieke kennis en auditvaardigheden. | Kan mondeling of schriftelijk; levert objectief bewijs. |
5. Onderhoud en Verbetering (7.6)
Een auditor is nooit 'uitgeleerd'. De norm vereist een proces voor continue professionele ontwikkeling (CPD).
- Regelmatige deelname aan audits: Om vaardigheden scherp te houden.
- Training en opleiding: Bijblijven met wijzigingen in normen (zoals de transitie naar nieuwe ISO-versies).
- Coaching: Minder ervaren auditoren laten meelopen met ervaren teamleiders.
- Zelfreflectie: Kritisch kijken naar eigen prestaties na elke audit.